Isophya kraussi

Lengte 16-26 mm, juli-september

Kenmerken
Vleugels tot kleine schildjes gereduceerd (072 1a g). Er loopt een witte streep van de ogen over het halsschild naar de vleugelrand. Vrouwtje met gelijkmatig gebogen legboor, die aan het einde van boven en van onderen betand is.

Voorkomen
Langs bosranden, op droge hellingen en bloemenrijke, schrale kalkgraslanden. Vooral in het middelgebergte. In Zuid-Duitsland, Schwäbische en Frankische Alpen, niet zeldzaam. Niet in Nederland en België.

Levenswijze
Het mannetje produceert gedurende de avonduren geluid met de vleugelstompjes. Het draagt niet verder dan ongeveer 1 meter. Het geluid bestaat uit een zeer lang aanhoudend wijsje, dat is opgebouwd uit twee korte dubbeltonen: één met een ietwat lange zachte en één met een kortere luidere component ([link][sound][filename]isophya.movIsophya kraussi[/text][/sound][/link]).
Door dit gezang wordt een paringsbereid vrouwtje aangetrokken. Dit vrouwtje benadert het mannetje voorzichtig en bestijgt hem van achteren. Dit is het signaal voor het mannetje om genitaalcontact te maken door het achterlijf om hoog te buigen en de achterlijfspunt van het vrouwtje aan de buikzijde te grijpen met zijn genitaaltangen. Na een tijdje produceert het mannetje uit zijn geslachtsopening een spermatofoor: een grote, witte, geleiachtige massa, die vele duizenden zaadcellen bevat. Het mannetje stuurt de spermatofoor in de richting van de geslachtsopening van het vrouwtje (072 1b g). Na de plaatsing wordt de paring beëindigd. De spermatozoën banen zich door de geslachtsopening een weg naar binnen, terwijl het vrouwtje het eiwitrijke, schuimige omhulsel als een “bruidstaart” consumeert. Dat kan uren duren. Een paar dagen later zijn de eieren gerijpt en dat is te zien aan het opgezwollen achterlijf. Voor de eileg zoekt het vrouwtje een kaal stukje grond uit. Voor iedere eilegsessie kromt zij het achterlijf naar beneden en naar voren en penetreert de grond met haar legboor, terwijl ze deze vasthoudt tussen de kaken. Het sturen van de legboor met de monddelen is typisch voor alle Phaneropteriinae.

%LABEL% (%SOURCE%)