Ips typographus

letterzetter

Lengte 4-5 mm, mei-juli.

Kenmerken
Donkerbruine, cilindrisch gebouwde, duidelijk behaarde soort. Dekschilden aan het uiteinde met een uitgehold gedeelte, aan de randen daarvan staan 4 uitstekende tanden (198 1b g).

Voorkomen
In verzwakte en dode sparren. Algemeen in Europa; in Nederland in Drenthe en Noord-Brabant.

Levenswijze
De letterzetter is een bijzonder schadelijke kever voor de bosbouw. Hij is vooral gebonden aan sparren. De kever bespoedigt het afsterven van reeds geïnfecteerde en/of verzwakte bomen. In het voorjaar zoekt het mannetje een geschikte sparrenboom en knaagt onder de schors een korte gang met aan het einde daarvan een verbrede ‘paringskamer’. Daarna start hij de productie van sekslokstoffen en probeert hij 1 tot 3 vrouwtjes in zijn paringskamer te lokken. Na de paring knagen de vrouwtjes vanuit deze kamer elk een ca. 15 cm lange moedergang. Als er 2 vrouwtjes zijn lopen de verticale gangen in tegengestelde richting van elkaar weg, indien er 3 zijn lopen de moedergangen in een Y-vormig patroon. De moeder gangen hebben elk 2-4 verbindingen met de buitenwereld, de zogenaamde luchtgaten. Door deze gaten wordt het boorafval (fijn zaagsel) via het uitgeholde gedeelte van de dekschilden met de 4 tanden naar buiten gewerkt. Als de moedergang klaar is legt ieder vrouwtje 30-60 eieren elk in een aparte nis. De nissen vormen de uitgangspunten van de vraatgangen van de larven, die zich aan weerszijden van de moedergang een weg knagen op het snijvlak van de schors en de bast (198 1c g). De volgroeide larve knaagt een poppenwieg aan het einde van haar vraatgang (198 1d g), waar de gedaanteverwisseling plaatsvindt. Bij een grote aantasting kunnen er zich meer dan 100 broedkamers per m2 schors per boom bevinden en dan is de boom al dood. Onder loslatende schorsdelen vormen de vraatgangen dan sierlijke, ornamentele patronen (198 1a g). De letterzetter heeft 2, zelden 3 generaties per jaar.

%LABEL% (%SOURCE%)