Argogorytes mystaceus

Lengte 8-14 mm, mei-augustus.

Kenmerken
Weinig opvallende, vrij slanke, zwarte graafwesp met gele banden op het achterlijf, vrouwtje met vierde segment zonder gele band. Schenen deels geel. Mannetje met voelsprieten die even lang zijn als het lichaam.

Voorkomen
Op zandige, droge tot iets vochtige schraalgraslanden. In Nederland en Belgiƫ alleen in het oosten vrij algemeen; bij de kust zeer zeldzaam.

Levenswijze
Het vrouwtje draagt schuimbeestjes (cicaden) als proviand voor de larven naar het nest in een zandbodem. De mannetjes verschijnen duidelijk eerder in het voorjaar dan de vrouwtjes en kunnen regelmatig als bestuivers op vliegenorchis (Orchis insectifera) worden gevonden. De bloem, die overigens niet op de wesp lijkt, verspreidt een geur die vermoedelijk ervaren wordt als de sekslokstof van vrouwtjeswespen. Het mannetje worden misleid en probeert tevergeefs met de bloem te paren (286 4 g). Daarbij buigen de stuifmeeldraden omlaag en blijft er een stuifmeelpakketje op het voorhoofd van de wesp plakken. Even later bezoekt de wesp een volgende bloem, die hem tot een nieuwe poging tot paren stimuleert en die daardoor bestoven wordt.

%LABEL% (%SOURCE%)