Anthidium strigatum

kleine harsbij

Lengte 6-7 mm, juni-augustus.

Kenmerken
Kleine soort met veel gele vlekken, op het achterlijf gepaarde gele dwarsvlekken. Buikschuier wit.

Voorkomen
Niet zeldzaam op allerlei warme, droge plekken, droge schraallanden, heidegebieden, groeven en open zonnige plekken in bossen.

Levenswijze
De bij verzamelt hars, vooral van dennen, en bouwt daarvan een klokvormige broedcel van 1 cm groot. Meestal is het nest vastgekleefd onder grote zwerfkeien, aan rotsen of bomen (300 3a g). Tijdens de verzorgingsfase is de broedcel van onderen open. Voor de afgifte van nectar kruipt ze met de kop naar voren naar binnen (300 3a g) en komt daarna weer naar buiten en schuift nu haar achterlijf in de cel voor het afborstelen van het stuifmeel (300 3b g). Na de eileg sluit ze de cel af en vormt een dun, naar onderen gericht schoorsteentje (300 3c g).

%LABEL% (%SOURCE%)